Israël ligt onder voor de Filistijnen

De Filistijnen belagen Israël voortdurend. Het volk Israël leeft met deze dreiging. Ook in Mispa in de herberg, is deze dreiging voelbaar. Er komt een man van het slagveld vertellen dat het er slecht voorstaat voor Israël en dat de Filistijnen ook de kant van Mispa op komen. Plotseling gebeurt dat ook. De Filistijnen overvallen de herberg in Mispa en nemen Salomé en haar kinderen mee. De gasten in de herberg blijven verslagen achter. De herbergier bezingt in een lied de nood: waarom heeft God ons verlaten, wie kan ons redden, wat moeten we doen?

1 Sam. 4:6-11

6 En de Filistijnen, die dat gejuich hoorden, zeiden:Wat betekent toch dat luide gejuich in de legerplaats der Hebreeën? Toen zij vernamen, dat de ark des HEREN in de legerplaats gekomen was, 7 werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden:God is in de legerplaats gekomen, en zij zeiden:Wee ons, want zo iets is noch gisteren noch eergisteren geschied. 8 Wee ons! Wie redt ons uit de macht van deze geweldige god? Dit is dezelfde god, die de Egyptenaren met allerlei plagen in de woestijn geslagen heeft. 9 Grijpt moed en zijt mannen, gij Filistijnen, opdat gij geen slaven der Hebreeën wordt, zoals zij van u geweest zijn. Zijt mannen en strijdt! 10 Toen streden de Filistijnen en Israël werd verslagen. Ieder vluchtte naar zijn tent, en de slachting was zeer groot:van Israël vielen dertigduizend man voetvolk. 11 Ook werd de ark Gods buitgemaakt en de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas, vonden de dood.