De slechtheid van Eli’s zonen

In de tempel in Silo komen en gaan mensen om te offeren, te bidden en hun zaken in orde te maken. De jonge Samuël is erbij en ziet hoe het eraan toe gaat. De zonen van Eli, Hofni en Pinehas zijn zelf slechte voorbeelden en dwingen de mensen tot ongerechtigheid. Dit levert strijd op bij deze mensen: naar wie moeten we nu luisteren? Eli weet van deze misstanden, maar doet er bijna niks aan.

1 Sam. 2:11-26

11 Toen ging Elkana naar Rama, naar zijn huis, maar de jongen was in de dienst des HEREN onder toezicht van de priester Eli. 12 De zonen van Eli nu waren nietswaardige lieden; 13 zij rekenden niet met de HERE, noch met het recht der priesters tegenover het volk. Telkens wanneer iemand een slachtoffer bracht, kwam, zodra men het vlees ging koken, de knecht van de priester, met een drietandige vork in zijn hand 14 en stak die in de pot of in de pan of in de ketel of in de kookpot; al wat de vork naar boven bracht, nam de priester voor zich. Zo behandelden zij alle Israëlieten, die daar te Silo kwamen. 15 Zelfs eer zij het vet in rook deden opgaan, kwam de knecht van de priester en zeide tot de man die het slachtoffer bracht:Geef de priester vlees om te braden, want gekookt vlees wil hij van u niet aannemen, alleen rauw. 16 Als de man hem dan antwoordde:Maar men moet het vet toch eerst in rook doen opgaan, neem dan voor u zoveel als uw hart begeert, dan zeide hij tot hem:Terstond zult gij het geven, anders neem ik het met geweld. 17 Zo was de zonde van die jonge mannen zeer groot voor het aangezicht des HEREN, want de mensen gingen het offer des HEREN gering achten. 18 Samuël nu diende voor het aangezicht des HEREN, een jongen, met een linnen lijfrok omgord. 19 Zijn moeder was gewoon een kleine mantel voor hem te maken, en zij bracht hem die van jaar tot jaar, als zij met haar man ging om het jaarlijkse slachtoffer te brengen. 20 Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw en zeide:De HERE geve u uit deze vrouw nakomelingen in plaats van hem die aan de HERE is afgestaan. Daarna gingen zij terug naar zijn woonplaats. 21 En de HERE sloeg acht op Hanna, zodat zij zwanger werd en nog drie zonen en twee dochters baarde. De jonge Samuël groeide intussen op bij de HERE. 22 Eli nu was zeer oud. Wanneer hij hoorde, wat zijn zonen geheel Israël al niet aandeden en dat zij sliepen bij de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent der samenkomst, 23 zeide hij tot hen:Waarom doet gij dergelijke dingen, dat ik het gehele volk over die wandaden van u hoor spreken? 24 Dat gaat niet, mijn zonen. Het is geen goed gerucht, dat ik hoor:zij brengen het volk des HEREN tot overtreding. 25 Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten; maar indien een mens tegen de HERE zondigt, wie zal dan voor hem tussenbeide treden? Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de HERE wilde hen doden. 26 Maar de jonge Samuël nam toe in aanzien en in gunst, zowel bij de HERE als bij de mensen.