De lofzang van Hanna

Elkana en Hanna brengen Samuël naar de tempel om hem af te staan. Hanna en Samuël praten wat over de tempel en hoe het daar moet zijn. Eli neemt Samuël aan. Hanna doet blij afstand en zingt een loflied.

1 Sam. 1:24-28

24 Nadat zij hem gespeend had, nam zij hem mee, met drie stieren, één efa meel en een kruik wijn, en zij bracht hem, een kleine jongen nog, in het huis des HEREN te Silo. 25 Toen zij een stier geslacht hadden, brachten zij de knaap tot Eli, 26 en zij zeide: Met uw verlof, mijn heer, zo waar gij leeft, mijn heer, ik ben de vrouw, die hier bij u stond om tot de HERE te bidden; 27 om deze jongen heb ik gebeden, en de HERE heeft mij gegeven, wat ik van Hem gebeden heb. 28 Daarom sta ik hem aan de HERE af; zolang hij leeft, zij hij aan de HERE afgestaan. En hij boog zich daar voor de HERE neer.

1 Sam. 2:1-10

1 Toen bad Hanna en zeide:Mijn hart juicht in de HERE, mijn hoorn is verhoogd in de HERE. Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in uw hulp. 2 Er is niemand heilig gelijk de HERE, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God. 3 Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. De HERE immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst. 4 De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord. 5 Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt. 6 De HERE doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. 7 De HERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des HEREN; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld. 9 De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk. 10 Wie met de HERE twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De HERE richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.