In de herberg onderweg naar Silo

Elkana, Penina en hun kinderen en Hanna zijn onderweg op hun jaarlijkse reis naar de tempel in Silo. Onderweg nemen ze een pauze in een herberg. In deze scêne zien we de minachting van Penina voor Hanna. Hanna voelt zich minderwaardig, krijgt het te kwaad en gaat naar buiten om tot zichzelf te komen. Elkana probeert haar te troosten, maar dat lukt hem niet. Als Elkana bij haar wegloopt, verwoordt Hanna haar nood in een lied.

1 Sam. 1:1-8

1 Er was een zeker man uit Ramataïm-Sofim, uit het gebergte van Efraïm, die Elkana heette, de zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, een Efratiet. 2 Deze had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna; Peninna had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. 3 Hij nu ging van jaar tot jaar uit zijn stad om de HERE der heerscharen te Silo te aanbidden en Hem offers te brengen. Daar waren priesters des HEREN de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas. 4 Wanneer de dag aanbrak, dat Elkana offerde, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en aan al haar zonen en dochters ieder een deel, 5 maar aan Hanna gaf hij een dubbel deel, want hij had Hanna lief, hoewel de HERE haar moederschoot toegesloten had. 6 Haar mededingster echter tergde haar voortdurend om haar tot drift te prikkelen, omdat de HERE haar moederschoot toegesloten had. 7 Jaar op jaar, zo dikwijls zij opging naar het huis des HEREN, handelde hij zo en tergde zij haar; dan weende zij en at niet. 8 En haar man Elkana zeide tot haar: Hanna, waarom weent gij en waarom eet gij niet? Waarom zijt gij zo verdrietig gestemd? Ben ik u niet meer waard dan tien zonen?